Kleur bekennen: Geel

Afhankelijk wil ik het niet noemen, maar zonder zou ik mij niet kunnen uitdrukken: Kleur.

“Het is slechts schijn dat iets een kleur heeft, in werkelijkheid bestaan er alleen maar atomen en de ruimte.”
(Democritus, 460 – 370 v.C.)

Het zijn de dingen om ons heen die het idee van kleur bestaansrecht geven. Kleur is een eigenschap van licht die wordt bepaald door haar verschillende golflengtes. Door weerkaatsing, in meer of mindere mate, van deze golflengtes ontstaat een oneindig spectrum waaraan ik telkens weer nieuwe voorkeuren en inspiratie ontleen. Ik voel me niet gedwongen om te kiezen. Onze taal doet dit min of meer wel; we lijken enkel die kleuren te onderscheiden die een naam hebben gekregen. Zou men in andere talen andere kleuren kennen?

Morgen kan ik zomaar op een andere golflengte zitten maar vandaag ligt mijn voorkeur tussen de 565 en 590 nanometer; Het zou de zomer kunnen zijn, die mij naar het geel stuurt. Wellicht ben ik, net als bijen, slachtoffer van het evolutionaire voordeel van aantrekkelijk gele bloemen. In combinatie met zwart schijnt de natuur het geel echter een andere rol toe te bedelen: Wespen en gifslangen (en wat minder natuurlijk ook NAC, o.a.) maken een gevaarlijke indruk op ons.

Voor nu zie ik weinig gevaar in het maken van een keuze: Geel it is, tot ik me er ook groen aan erger.